In dit zelfportret uit 1923 presenteert Sintenis zichzelf op een manier die toen als opvallend androgyn of mannelijk werd gezien: met een duidelijke kaaklijn, een opvallende neus en volle lippen.

In het Berlijn van de jaren 1920 – tijdens de Weimarrepubliek: de Duitse democratische periode tussen 1918 en 1933 – staat een nieuwe generatie vrouwen op, de Neue Frau: zelfstandig, zichtbaar en vrijer dan ooit. Renée Sintenis wordt één van hun gezichten.
Met haar korte haar, getailleerde jasjes en lengte van 1,80 meter valt Sintenis overal op. Ze is dan ook een van de meest gefotografeerde vrouwen van haar tijd.

Binnen queerkringen voelt Sintenis zich vrij. Sintenis leeft samen met een vrouw, Magdalena Goldmann, in een tijd waarin het homohuwelijk nog niet legaal is. Goldmann is officieel haar huishoudster, maar waarschijnlijk ook haar partner.
Wanneer Sintenis in 1965 overlijdt, erft Goldmann al haar eigendommen, wat een zeldzame vorm van erkenning is van hun leven samen.
Ze zijn samen begraven op de Waldfriedhof in Berlijn-Dahlem.

In 1947 vergelijkt een kunsthistoricus Sintenis' werk met dat van mannen. Haar succes wordt gepresenteerd als uitzonderlijk, voor een vrouw.
Wat in haar tijd geldt als het werk van een 'Neue Frau' wordt later beoordeeld naar mannelijke maatstaven.
Zo beïnvloeden gendernormen ook hoe geschiedenis kunstenaars onthoudt.
