
In de 17de en 18de eeuw is de zijde-industrie booming in Utrecht. Dankzij de gekookte zijderupsen loopt een modebewuste bovenlaag van de bevolking in jassen, jurken en kostuums van zachte, ademende zijde.
Voor één kilo zijde waren duizenden cocons van deze diertjes nodig.
Wat doet deze jongen hier? Hij wijst naar een zijderups.

Hij is de kleinzoon van David van Mollem, eigenaar van de Utrechtse zijdefabriek Zijdebalen. Waar de fabriek ooit stond, ligt nu een wijk met dezelfde naam.


Alle rijkdom op dit schilderij van de familie van David van Mollem rust op dat ene dier en duizenden of miljoenen soortgenoten.
Vanaf de 17de eeuw groeit David van Mollems fabriek verder. Met waterkracht en machines wordt het productieproces van zijdedraad steeds efficiënter.

In 1706 is zijde zo belangrijk dat Utrechtse textielwerkers de zijderups afbeelden op een penning; een soort munt die het lidmaatschap van een gilde laat zien. De rups ligt rustig op een blad, onbewust van wat hem te wachten staat.
Hoe meer plooien, hoe meer meters zijde er nodig zijn voor één kledingstuk.

De mode-industrie drukt nog altijd wereldwijd zwaar op de natuur.

“Koop minder, kies beter, draag het langer.”

Ontwerpers als Vivienne Westwood zoeken naar nieuwe manieren om kleding te maken, met minder impact op mens en natuur.


Kunstenaar/activist Jeanpaul Paula vertelt over de troep die de kledingindustrie over de wereld verspreidt.
