Brief van Truus Schröder aan Han Schröder over situatie familie en vrienden in Utrecht
Dinsdag 18 juni 1940 Mijn lieve Hanneke, Ja hoor we zijn gezond, niet gewond, hebben geen enge financieel klappen gehad. De huizen staan er nog ongeschonden bewoond en wel en we hebben nog alles te eten als vroeger op enkele [begin onderstreping] zeer belangrijke [einde onderstreping] beperkingen na. De bussen rijden minder en we fietsen dus veel, hetgeen perfect is voor de lijn. Zoo staan de zaken op het oogenblik. Vanaf de overgave tot nu toe hebben we nog niets te lijden gehad. De Duitsche militairen zijn toen zoo correct opgetreden tegen de burgers, dat ik nog niemand heb ontmoet die daarover niet volmondig tevreden en dankbaar is! Panny’s ouders hebben door brand in de oorlog hun fabriek verloren. Joop en Tikie, ook Tikie R., maken het best.Tikie is getrouwd intusschen. Joop is klaar en solliciteert maar dat zal nu niet zoo gauw lukken ook omdat er niet zoovaak een vacature is. Mientje en fam. maakt het ook best. Dat fam. J. in de flat hebben erg veel verloren in de oorlog. Meta v.d.t. zit een beetje vast met haar geld doordat haar ouders in Indië zijn, maar dat zal zich wel oplossen. Zij was toch al van plan weg te gaan omdat haar zusje naar huis terug is. Oom Jan heeft ook door de oorlog veel verloren aan huizen en oom Herman die ziek was, is onlangs gestorven. Kl. Jan zit vermoedelijk nog in Portugal. Marie de werkster heeft een neefje in Den Haag. De naaister haar neefjes zijn allemaal weer terecht! Jan R. is al weer uit dienst en in de heele buurt is iedereen terecht en niets beschadigd. Alleen mijn nierendokter met gezin heeft het leven de avond van de overgave niet meer gewild en hebben allemaal (op de zoon na) het leven verlaten. De heele familie van hun vindt het overdreven. Je weet dat ik hen zeer respecteerde dus alhoewel ik het erg betreur, dat hij dit meende te moeten doen, geloof ik in hem en zie het niet als lafheid. Je kunt minder dan ooit op het oogenblik iets beoordelen of veroordelen. We staan er midden in. Je begrijpt uit dit relaas dat ik je brief ontving (van 9 juni). Maandag 17 juni = gisteren. De eerste! Eerste kwam je brief * [begin tekst in linker kantlijn] * Ik ben van je brief een ander mensch. Eerst erg opgewonden en blijdschap en nu stil tevreden. Ik kan nu weer werken en vooruit. Dit weet je al uit mijn kaart en ik wilde je nu geruststellen en feiten schrijven.[einde tekst in linker kantlijn] Daarna je kaart (vandaag). Wat lief om me die kaart te sturen die in je kamer heeft gehangen. Ik heb er eens goed aan gesnuffeld. ’t Was net of het iets van je zelf was. Stuur me eens een snippertje uit een jurk! Dat is zoo echt iets was met je te maken had. Ik kan me volkomen met je brief vereenigen! Doe wat je het liefste wilt en het beste vindt. Noodig hebben we je niet hier! Wel houden we zoo vreselijk veel van je dat we je graag hier hadden, maar het zou onzin zijn als je daarom kwam. Ik moet je toch vooral waarschuwen om wat er ook gebeurt, niet met een paniek mee te doen of te onbezonnen te vluchten. Op je eentje of met een paar houd je het hoofd koel. En redt je je er dikwijls wel weer uit. Ook schuilkelders hebben hun bezwaren. Veel weet ik er niet van hoor! Maar paniek zal daar ook erg in zijn en het kwam hier veel om dat er niet in gezocht is zoo gauw omdat de (schuil)kelders niet b.d. gemeente en luchtbesch. officieel bekend waren! Verder een identiteitsplaatje en een fluitje om hulp te zoeken en […] voedsel en chocolade enz. en meer weet ik ook niet. ’t Is voor een deel, voor een groot deel, alles een lotje uit de loterij ofwel het noodlot. Wij zijn alleen de avond of middag vóór de overgave naar het centrum v.d. stad geëvacueerd. Achteraf erg dom, want als Utrecht gebombardeerd was had iedereen daar beroerd gezeten. Onze buurt moest wel ontruimd, omdat er kans was dat de huizen in de weg stonden, geloof ik. Nadat we een paar uur in de stad waren, was alles al voorbij en konden we naar huis terug. Maar we zijn toen maar op ’t atelier gebleven, omdat we er alles hadden en ’t ons toch wel behagelijk leek. Het autootje dat ik al een paar dagen naast de flats had staan was door Jesse gebruikt om allerlei te vervoeren en ook Emmy te verhuizen. Wij gingen veel liever per fiets. Toen heeft J. het autootje voor het N.V. Huis gezet dat vol vluchtelingen was uit de omstreken en waar Zus werkte en het goed gebruiken kon. Toen heeft Riet met mij het autootje gebruikt om nog matrassen thuis te gaan halen en zus toen te zien en toen hebben we het weer bij zus gezet. Zus wilde onze hulp niet en ik had de heele dag al zoo gesjouwd voor de terugtrekkende Holl. soldaten, die bij ons langs kwamen en voor de evacuatie van diverse andere menschen, dat ik zoo moe was dat ik ben gaan slapen. Denkends: “dan kan ik morgen anderen aflossen”, maar dat hoefde al niet meer en bovendien had ik zelf ineens zooveel te doen thuis, dan iedereen kwam en ging maar weer en liet de boel achter zich liggen en natuurlijk geen hulp – als alles voor de winter niet voorbij is, moet je toch wel bedenken of je niet thuis zult komen. je moet het alleen maar overwegen! Weet je dat ik voor in P. kamer een U. in de rechter heb, tijdelijk, en een Deensche, hier studerende jongen tijdelijk (kennis van Stien die op vakantie is). Verder hier dan nog Ernest Tonopeus. Vandaag is Panny een paar dagen komen logeeren. Ze missen in de grote steden op het ogenblik erg de uitwerking van de natuur op de mensch. De natuur is me een erge troost geweest in dit gebeuren. Het onvergankelijke ervan. Han, wat je hoorde over het oosten van Utrecht slaat op de Biltschestraatweg. Daar hebben de Hollandsche militairen huizen die in de weg stonden opgeblazen of zoo. Utrecht is niet gebombardeerd. We zijn door het oog van de naald gekropen. ’t Moet op het nippertje geweest zijn – als je mej nodig hebt roep je dan ook. Ik zal ook doen wat ik kan om dan te komen, maar het is natuurlijk heel niet zeker dat het ook lukken zal. Dat moet je wel bedenken, he, allerliefste Keetje? Groet Fl. erg hartelijk en al je vriendinnen en vrienden. [begin tekst in linker kantlijn] Ik hoorde van Berties vader dat je het bericht van de Zweedsche legatie hebt ontvangen dat de diverse families het goed maakten. Deze brief is als gewoonlijk onder veel gebel en getelefoneer door geschreven. Met de hand op het hart Hanneke: Het gaat ons in ieder opzicht best. Dag lieve Han. M’n meest innige groet en kusje van je moeder mamsie. En groeten v. Riet, Marie, de naaister (zus is op reis naar Bakkeveen) en iedereen te veel om op te noemen b.v. de oudste juffie bij […] Ik laat me inenten tegen typhus. Verder wordt het hier haast niet gedaan. Broer is wel tegen allerlei ingeënt en Els en Petertje, maar die waren er flink ziek leek me. [einde tekst in linker kantlijn]