Object
Kast
- Maker
- Anoniem Utrechts
- Title
- Kast
- Dating
- 1637
- Object type
- kast
- Object number
- 5124
- Collection
- toegepaste kunst, meubelen tot 1900, kasten
- Materials
- iepenhout, eikenhout, ebbenhout, palissanderhout
- Technique
- eikenhout; ebbenhout; palissanderhout; zwart gebeitst iepenhout
- Dimensions
- hoogte 239 cm
- breedte 221 cm
- diepte 76 cm
- Acquisition
- schenking (1925)
- Associated subjects
- Utrecht, St. Gertrudiskerk (herkomst)
- Physical description
- De kast is vervaardigd uit kwartiers eikenhout met fraaie spiegels. Hij is opgebouwd uit een onderstel, twee zijden die door de bodem, de legplanken, onder door een achterregel en boven door een voor- en een achterregel zijn verbonden, een achterschot, twee deuren en een kap. De zijden van de kast vallen beide met een pen in het onderstel, die van de kap vallen met elk een pen in de kast. De zijkanten van het onderstel zijn opgebouwd als een raamwerk met daarin een paneel, de achterzijde heeft een onder- en bovenregel die met pen en gat zijn verbonden met de hoekstijlen. Het achterschot van het onderstel bestaat uit negen planken. Het valt met een afgeschuinde kant in een groef in de bovenregel en de hoekstijlen en is tegen de onderregel gespijkerd. De zijden van de kast bestaan uit een raamwerk met vier regels waarbinnen drie panelen. Het achterschot van de kast heeft een middenstijl met aan weerszijden vijf planken die rondom met een schuine kant in groeven in de regels en de stijlen vallen. Het is tegen de achterzijde van de legplanken gespijkerd. De deuren bestaan uit een raamwerk met drie dwarsregels waarbinnen twee panelen. Ze draaien op speunen. Het slot heeft een zwaluwstaartvormige ijzeren dekplaat. In de op de rechterdeur gespijkerde slaglijst die de middenstijl vormt, bevindt zich het sleutelgat dat te voorschijn komt wanneer het middelste profiel van de halfzuil naar rechts wordt geschoven. De linkerdeur heeft twee ijzeren veersluitingen die achter pennetjes vallen die zijn aangebracht in de onderzijde van de onderste en de bovenste plank. De zijden van de kap zijn geconstrueerd als een raamwerk met liggende panelen: twee aan voor- en achterzijde en een aan beide zijkanten. Op dit raamwerk is aan voor- en zijkanten lijstwerk gespijkerd. Het dek bestaat uit negen korte planken. Stijlen en regels zijn met merendeels dubbel getoogde pen en gat-verbindingen vergaard. De panelen vallen met een afgeschuinde kant in groeven. De legplanken zijn opgebouwd uit twee regels met daartussen negen of tien gespijkerde korte planken. Ze zijn met een enkel getoogde pen- en gatverbinding vergaard aan de achterstijlen van de kast en rusten aan de voorzijde op gespijkerde steunen. De laden zijn opgebouwd uit gespijkerde onderdelen. De zijden zijn met zwaluwstaarten met de voor- en de achterzijde verbonden en de bodem valt in een sponning in de voorzijde. De bodems bestaan uit twee planken, evenwijdig aan de voorzijde. De laden hebben groeven in de zijkanten waarmee ze op ladelopers schuiven. De knoppen zijn aan de binnenzijde met een toognagel gezekerd.
- Inscriptions and marks
- datering in linker en rechter soffiet aan de voorzijde: ANNO // 1637
- Notes
- Al in 1912 informeerde mevrouw Berns het museum over deze herkomst; Samuel Muller kende de achtergrond van de meubelen, omdat hij de pastorie in 1908 had beschreven. Vermoedelijk kan de kast worden geïdentificeerd met ‘1 groote linnenkast’ met twee laden en drie planken, die in de in 1771 opgemaakte inventaris van de pastorie wordt vermeld ‘Op het salet’.
- Rights
- Public domain
- Documentation
- Meubelen tot 1900 : De verzamelingen van het Centraal Museum Utrecht, Reinier Baarsen, Dirk Jan Biemond, Paul van Duin, Anne-Sophie van Leeuwen; red. Willemijn Fock en Ida van Zijl, Centraal Museum (Utrecht, 2005), 324 p.
- Verslag van den gemeente-archivaris over het voorgevallene in de gemeente-verzamelingen in 1918, de gemeente-archivaris S. Muller Fz., (Utrecht, 1919)
- Verslag omtrent het archief en het museum over het jaar 1925, de gemeente-archivaris W.C. Schuylenburg, Gemeente Utrecht (Utrecht, 1926]), 47 p.









